Is verlenging addendum KNVB2-15 norm ’n vloek of een zegen?

Is verlenging addendum KNVB2-15 norm een vloek of een zegen?

Onlangs besloot het College van Deskundigen om het addendum voor de NOCNSFKNVB2-15 norm (versie 2019) dit kalenderjaar te verlengen. De norm blijft voer voor discussie wat de vraag opwerpt: wie heeft er nu baat bij die verlenging?

De hele discussie draait om de eis van de KNVB om voortaan ook de energierestitutie van kunstgras voetbalvelden te valideren. “De energierestitutie was onderdeel van de norm voordat in 2010 besloten werd om de FIFA One-Star en FIFA Two-Star kwaliteitsnormen te volgen. Na het besluit in 2017 om toch weer eigen kwaliteitsnormen na te streven, menen wij dat het belangrijk is dat de energierestitutie onderdeel van de norm is,” stelt KNVB Adviseur Accommodatiezaken Patrick Balemans. FIFA neemt de energierestitutie nog altijd niet mee. De KNVB is de enige voetbalbond ter wereld die een norm voor schokabsorptie en energierestitutie in één norm voor kunstgras integreert. “FIFA vergaart al enkele jaren data over de energierestitutie. Inmiddels is die wel doorgevoerd in de FIFA-norm voor grasvelden. Die mag daar tussen de 20 en 30% zijn. Dat geeft aan dat de norm zoals de KNVB die heeft geïntroduceerd, mogelijk nog aan de ruime kant is.” Op kunstgras mag die van de KNVB tussen de 20 en 40% liggen.

Voor de meeste installaties lukt dat maar een relatief groot aantal installaties ontving de afgelopen jaren alleen goedkeuring dankzij het addendum. In 2019 werd voor 25% van de 197 aangelegde kunstgras voetbalvelden deze dispensatie verleend terwijl in 2020 dat percentage opliep tot 39% van de 213. Vorig jaar zakte dat percentage tot 28% van de 176 installaties. Het addendum staat toe dat individuele meetwaarden buiten de grenswaarde vallen zolang het gemiddelde maar aan de eis voldoet. Voor 2022 is de ruimte binnen het addendum nu beperkt. Balemans is echter géén voorstander van het oprekken van de regels en de verlenging van het addendum. “Met onduidelijkheid is niemand gebaat. Het is aangetoond dat het mogelijk is omdat alle kunstgrassystemen in het laboratorium voldoen aan de regels, zij het dat die in veel gevallen aan de bovengrens zitten. De bouwers moeten de regels gewoon beter naleven en kopers moeten erop toezien dat ze dat krijgen wat hen is beloofd.”

Verlenging tot eind 2022

De stellingname van de KNVB heeft het College van Deskundigen er echter niet van weerhouden om het addendum sowieso voor dit kalenderjaar te verlengen. Bovendien is een onderzoeksprogramma opgesteld waarin een aantal zaken nader gaan worden bekeken:

  • waarom kunnen de gemeten resultaten tussen keuringsinstituten verschillen?
  • Waarom kunnen de resultaten in de praktijk verschillen met de resultaten die zijn vastgesteld in het laboratorium?
  • Hoe correleert de energierestitutie met o.a. tijd?
  • Wat gaat de Europese Commissie besluiten voor wat betreft de toekomst van rubber infill?
  • Wat zijn de resultaten van een FIFA-onderzoek naar de energierestitutie waarde?
  • Wat staat er op de duurzaamheidskalender (o.a. bio-afbreekbaar, micro-plastics, circulair kunstgras en non-fill systemen)?
  • Voer een belevingsonderzoek uit waarbij de sporter centraal staat. Dit omdat de gevoelsmatige hardheid van kunstgrasvelden, tot dusver, niet is onderzocht.

Te harde velden?

Waar de KNVB verre van enthousiast is over de verlenging, lijkt de Vereniging Sport en Gemeenten (VSG), namens de eigenaren van de kunstgras voetbalvelden, met de ontwikkelingen te kunnen leven. Volgens Marcel Bouwmeester biedt de KNVB2-15 norm nog teveel ruimte voor verbetering. Hij vreest met name voor klagende spelers in de toekomst die problemen hebben met de hardheid van het veld wanneer men de huidige waardes blijft nastreven. “Om die waardes te behalen moeten de veldenbouwers een stijvere foam gebruiken of meer zand in het veld doen. Het probleem dat wij als gemeenten dan in de toekomst zullen krijgen is dat spelers gaan klagen dat het veld hard is terwijl het beleid bij de gemeentes juist is om de burger tevreden te houden,” zo licht hij het standpunt van de VSG toe.

Volgens Bouwmeester is het onontkoombaar dat gemeenten nu liever de bovengrens van de energierestitutie accepteren. “Als je ook goedkeuring kunt krijgen op een veld met 44% energierestitutie, dan kies ik daarvoor. Zo hou ik namelijk de voetballers tevreden.” Dat klinkt logisch maar de KNVB stelt dat de energierestitutie, met de tijd, hoger wordt. Uit laboratorium resultaten kan namelijk worden afgelezen dat bij 90% van de systemen na 6.000 cycli op de Lisport XL, de energierestitutie met 4,2% is gestegen. Een hogere energierestitutie kan tot meer vermoeidheid bij de spelers leiden. Hoewel Balemans het onderzoek niet teveel in de weg wil lopen, geeft hij aan dat de ervaren hardheid met name te maken heeft met de beperkte hoeveelheid infill die in het veld zit. Volgens hem is gebleken dat er veelvuldig minder sporttechnische infill wordt toegepast dan conform lab-rapport zou moeten. Minder sporttechnische infill wordt vaak gecompenseerd met meer zand in het systeem wat zou verklaren waarom spelers vinden dat een veld harder aanvoelt.

Stuur op gevoel i.p.v. getal

Bouwmeester meent dat de KNVB teveel op basis van een getal stuurt. “Ik stuur liever op de gedachten en wens van de spelers in plaats van een gemeten waarde. Het maakt namelijk nogal een verschil of je die waarde voor energierestitutie meet op een stadionveld of amateurveld, of je dat doet na een droge of juist natte periode en of je dat meet op een veld in een zand of klei-omgeving,” zo merkt hij op. Hij meent daarom dat de logica van de norm momenteel zoek is. Patrick Balemans bestrijdt dat. “De KNVB heeft juist onderzoek gedaan naar dit soort velden. We weten waar we over praten. Niet een stadionveld maar juist een goed natuurgrasveld is onze referentie,” zo licht hij toe. Rutger Schuijffel van CSC Sport heeft wel begrip voor de kritiek van de VSG. “De gebruikerservaring zijn zeker ook bepalend,” zo merkt hij op. Het streven van de KNVB om één norm voor zowel gras als kunstgrasvelden te gaan hanteren, is volgens hem dan ook niet helemaal realistisch. “Zelfs als je de sporttechnische waardes van 3.000 grasvelden meet, dan zul je nog altijd sterk uiteenlopende waardes zien.” Hoewel Schuijffel vindt dat de discussie vooral tussen de KNVB en de VSG moet worden gevoerd, pleit hij ervoor dat de norm breed geïnterpreteerd moet kunnen worden.

Nader onderzoek

Gosewin Bos van Antea Sport kan het duidelijke signaal van de KNVB wel begrijpen. “Die wil een kwaliteitsstap maken en dat kan alleen maar goed zijn voor alle betrokken.” Wel maakt de discussie volgens hem duidelijk dat, in sommige gevallen, hele kunstgrassystemen en componenten radicaal aangepast moeten worden om toch aan de KNVB2-15 norm te kunnen voldoen. “We moeten radicaler over componenten gaan nadenken nu de wensen van de betrokken partijen steeds sneller en meer van elkaar verschillen. De markt wil van 60mm kunstgrasvelden met SBR naar 40mm velden met een alternatieve infill dat eenvoudig gerecycled moet kunnen worden, enzovoort, enzovoort. Die veranderende klantvraag, de regels van de KNVB en parameters die steeds dichter bij elkaar komen te liggen, maken het allemaal heel uitdagend voor ons.” Bos is het met Schuijffel eens dat voldoen aan de norm zeker mogelijk is maar dat het extra aandacht vraagt van de bouwers en van adviesbureaus. “We zijn daar de afgelopen twee jaar hard mee bezig geweest en hebben veel geïnvesteerd. Hoewel het ons gelukt is lijkt het in de praktijk lastig om die één vierkante meter die het testinstituut tijdens de laboratoriumtest toetst op een betonnen vloer, te repliceren voor een veld van 8.000m2 in een buitenomgeving,” aldus de directeur Sport van Antea Sport. Daarnaast merkt hij op dat de vraag van adviseurs in hun bestekken vaak tegenstrijdig zijn met de door bedrijven geteste systemen. “Dit is een groot zorgenpunt voor het komend tenderseizoen. De variatie in uitvragen van adviseurs maakt het bijna onmogelijk om telkens precies aan deze uitvraag te voldoen. Eigenlijk zou de besteksvraag weinig verder moeten gaan dan ‘veld volgens KNVB-norm’, met daarbij de wens welk infill de opdrachtgever wil,” aldus Bos.  Behalve het verschil tussen de testopstelling en de praktijk in de buitenomgeving, lijkt het erop dat ook het testmoment meeweegt, zegt Rutger Schuijffel. “Het kan nogal een verschil maken of het testinstituut de eigenschappen van een veld vóór of na een regenbui meet terwijl óók de temperatuur op de meetdag een rol kan spelen.” Tel daar bij op dat gebleken is dat twee van de geaccrediteerde testinstituten bij de veldtesten niet comfort de normering de infill-hoogte keurden, dan is het begrijpelijk dat het College van Deskundigen meent dat voortzetting van het addendum voorlopig gewenst is totdat meer zaken duidelijk zijn.

Baat bij een verlenging?

Patrick Balemans blijft erbij dat de KNVB2-15 norm haalbaar is en het belang van de clubs en spelers dient. “Ruim 70% van de installaties voldoen wel aan de norm,” zo merkt hij op. “Wat wij zien is dat bij de helft van de velden die aanvankelijk niet aan de norm voldeden, dat is toe te schrijven aan een afwijkende infillhoogte.” Het zou daarbij gaan met name om te weinig sporttechnische infill of waarbij juist meer stabilisatiezand was aangebracht. “Die afwijkingen komen bovenop de -2/+2 mm afwijking die is toegestaan vanuit de norm.” Wat hem betreft moeten de bouwers de hand eerst in eigen boezem steken. Ook zouden opdrachtgevers scherper kunnen zijn door om een systeem te vragen dat in laboratorium in ieder geval ‘ruim’ onder de 40% energieresititutie scoort. “Als een systeem in het laboratorium 35% scoort op energierestitutie, dan heb je in de praktijk marge. Als gekozen wordt voor een systeem dat in laboratorium al net de waarden behaald dan zou bekend mogen zijn dat het tijdens de installatie wel eens lastig zou kunnen worden.” Bovendien moet de opdrachtgever of eigenaar scherper zijn of deze daadwerkelijk krijgt wat gevraagd wordt. “Als in laboratorium een systeem wordt ingevuld met 10mm sporttechnisch infill dan moet je in de praktijk geen systeem willen hebben wat met maar 8mm of nog minder wordt ingevuld.” Tenslotte merkt Balemans, net als Rutger Schuijffel op, dat het moment van keuren erg belangrijk is. “Keur niet als de infillwagens nog op het veld staan, maar wacht een periode zodat het materiaal zich gesetteld heeft,” zo zegt de Adviseur accommodatiezaken van de KNVB. “Ga niet in juni al met boetes voor te laat opleveren strooien als het voetbalseizoen pas in september begint.” Met de verlenging van het addendum is er dus ook dit jaar meer ruimte.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd.