Waar sport, innovatie en maatschappelijke infrastructuur samenkomen

Hoeveel uur kan gras daadwerkelijk verdragen?

De KNVB houdt al jaren een bespelingsdruk van 250 uur voor een wedstrijdveld aan. Velen betwisten dat, maar wat is het dan wel en hoe bereiken we dat?

Grasmensen roepen al een aantal jaren dat het getal van 250 uur gebruik van een voetbalveld, achterhaald is. “Een groep wijze mannen heeft dat ooit bepaald als uitgangspunt voor alle velden, ongeacht de ondergrond waarop die zijn gebouwd. Sindsdien is er echter veel veranderd. We hebben nu veel meer kennis over het gras zelf, het zand maar ook de onderhoudsmachines en methodes. Ik durf rustig te stellen dat een grasveld zeker 500 uur bespeling aan kan,” stelt Job Steunenberg van Advanta Seeds. Hij krijgt bijval van Jan van den Boom van Barenbrug. “Alleen al dankzij de genetische verbeteringen van graszaden in de afgelopen 30 jaar, kan een grasmat het dubbel aantal speeluren aan van waar de KNVB van uit gaat.” Het is een redenatie die ook de KNVB onderschrijft, stelt Patrick Balemans. De adviseur accommodatiezaken wijst erop dat de bond enerzijds nog altijd groeit in ledenaantal (1,2 miljoen leden op het moment van schrijven) maar anderzijds te kampen heeft een afnemend aantal clubs, al dan niet met een eigen accommodatie. Op basis van cijfers van het Mulier Instituut wordt die afname geschat op zo’n 40 à 50 clubs per jaar. “We zien steeds vaker de vorming van zogenaamde megaparken: sportaccommodaties met meerdere verenigingen of met heel veel voetbalvelden.” Toch ziet Balemans géén aanleiding om dat getal van 250 gebruiksuren voor een wedstrijdveld, aan te passen. “Rekenkundig gezien is daar geen aanleiding voor. De meeste amateurcompetities tellen 30 wedstrijddagen, exclusief eventueel bekervoetbal, waarvan de helft thuis worden gespeeld. Als je die 15 wedstrijddagen thuis vermenigvuldigd met een factor 10 als aantal uur dat het veld op zo’n dag wordt gebruikt, dan nog blijf je ruim onder het aantal van 250 uur.” Balemans kaatst zelfs ietwat de bal. “Er zijn heel wat verenigingen die problemen ervaren waarbij juist het ondergebruik van het veld, de oorzaak is van de slechte staat van de mat.” Een hoofdveld exclusief reserveren voor het spelen van wedstrijden, vind hij daarom niet raadzaam.

Meer trainen op wedstrijdveld?

De gouden standaard van 250 uur uit een wedstrijdveld halen door het aantal wedstrijduren aan te vullen met trainingen, is echter makkelijker gezegd dan gedaan. “De gevolgen van een uurtje trainen zijn voor een veld veel erger dan die van een wedstrijden,” stelt Jan van den Boom. Het is voor de planners bij de club dan ook lastig manoeuvreren om alle wedstrijden en trainingen onder te brengen op de paar beschikbare velden. De veldkwaliteit valt of staat met de juiste combinatie van ondergrond, het juiste mengsel graszaad en de kwaliteit van het onderhoud. “Dat begint al bij het herstellen van de speelschade. Dat kost je zo’n 50 uur per veld per jaar. Vroeger deden de vrijwilligers dat op maandagochtend maar die pool wordt steeds kleiner. Daardoor wordt deze activiteit sneller wegbezuinigd, maar uiteindelijk betaal je daarvoor de prijs,” zo merkt Job Steunenberg op. “Het is hetzelfde als met een huis: als je dat 20 jaar lang niet verft, dan komt er een moment dat verven niet meer voldoende is om het in oude glorie te herstellen.”

Grasgids als start

Voorwaarde voor een effectief herstel van het veld is wel dat het veld is ingezaaid met het juiste (mengsel) gras. “De mengsels die in de Grasgids staan, bieden een goede start,” zo merkt Steunenberg op. “Alle grassen in de Grasgids zijn bekeken op de dichtheid van de zode, de visuele uitstraling, de afwezigheid van onkruid en straatgras, het op kleur blijven tijdens droogte, de ziektegevoeligheid, de traagheid van de groei van de sprieten en de visuele kleur van het blad van de grasplant,” legt ingenieur Jan-Rinze van der Schoot van Wageningen Universiteit en Research uit. Hij werkt mee aan het rassenonderzoek dat de basis vormt voor de Grasgids. “Daarnaast toetsen we voor sportgrassen de grasbezetting onder betreding en de gevoeligheid voor schimmelziektes.” Zowel Steunenberg als Van den Boom wijzen erop dat het portfolio van de graszaadveredelaars stuk voor stuk oplossingen bevatten voor specifieke situaties. “Ik roep mensen daarom altijd op hun nek uit te steken en eens iets anders te doen en een mengsel te kiezen dat beter met specifieke zaken kan omgaan. Er is zoveel meer dan alleen het standaard SV7-mengsel!”

Meer effectievere grassen

Zowel Advanta Seeds als Barenbrug maar ook, bijvoorbeeld DLF en DSV zaden, hebben grassen en mengsels die beter bestand zijn tegen de gevolgen van klimaatveranderingen dan, bijvoorbeeld, de standaard SV7. “Het is een gegeven dat de zomers droger en de winters natter worden. Wij spelen daar op in met specifieke mengsels die we adviseren in combinatie met nieuwe onderhoudsmethoden,” stelt Steunenberg. “Maar er zijn ook grassen die een veld helpen om sneller te herstellen van speelschade, die een betere beworteling bieden of juist bestand zijn tegen heel kort maaien,” zo vult Van den Boom aan. Het advies daarom is om eerst een goed beeld op te stellen van de bodem en de (mogelijke) pijnpunten voordat er gekozen wordt voor een specifiek gras. Steunenberg wijst erop dat de beschikbare tijd ook een belangrijke factor is. “Als er de tijd is om een veld aan te leggen of te herstellen, dan raad ik aan om een mengsel te kiezen met veel veldbeemd.” Deze grassoort wortelt diep maar krijgt, bovenal, horizontale uitlopers die de mat beter verankeren in het zand.

Bijdragen aan onderhoud

Steunenberg noemt nog een andere reden waarom het soms beter is om juist géén SV7-mengsel te pakken. “Als er ergens al veel veldbeemd staat, dan is dat een teken dat dit gras daar goed aardt. In dat geval kun je beter een SV8 pakken.” Jan van den Boom heeft nog een andere reden. “SV7 bevat alleen snelgroeiende grassen. De consequentie is dat je dat veld dus vaker moet maaien.” In een tijd waarin de kosten voor elke onderhoudsactiviteit extra tegen het licht moet worden gehouden en gewogen wordt wat dat betekent voor de CO2-footprint van een accommodatie of organisatie, is dat niet altijd wenselijk.

Het resultaat van de keuze voor een bepaald type gras voor een bepaalde bodem, hangt ook af van de kwaliteit van het onderhoud. “De kwaliteit van het onderhoud is allesbepalend,” stelt Jan van den Boom. “Zorg ervoor dat je er op tijd bij bent wanneer je wilt gaan doorzaaien,” zegt Steunenberg. Hij pleit er al jaren voor om vaker door te zaaien en verwijst daarbij naar de zogenaamde Triple3-aanpak: drie keer doorzaaien met drie verschillende grassoorten.  “We zetten per seizoen in op maatwerk, dus op de juiste combinatie van soorten teneinde steeds de beste kieming, groei en vestiging te bewerkstelligen”, zo legt hij uit. Jan van den Boom kijkt daar wat anders tegenaan maar beiden zijn het er over eens dat gedegen onderhoud ook om een goed budget vraagt. “Voor een sportveld van gemiddeld 375 speeluren variëren de jaarlijkse onderhoudskosten tussen de € 5.000 en € 10.000. Het grootste deel daarvan wordt besteed aan toplaagbewerkingen, speelschadeherstel en aan maaikosten,” stelt Job Steunenberg. Met een slimme keuze qua graszaad kan er dus veel uit zo’n budget worden gehaald.

De KNVB-norm van 250 gebruiksuren voor een wedstrijdveld, blijft voer voor discussie. “Vroeger was het makkelijk: als je een week slecht weer had gehad, dan lastte de KNVB de wedstrijden af waardoor je je niet druk hoefde te maken over de gevolgen voor het veld. Tegenwoordig is de kans op afgelastingen, minimaal. Er wordt daarom meer van de clubs, gemeenten en onderhoudsbedrijven verlangt,” zo legt Jan van den Boom uit. Wie zich verdiept in de verschillende beschikbare grassen en bereid is de voordelen of de consequenties van die keuze te aanvaarden en daarop een onderhoudsregime af te stemmen, die moet in staat zijn om nog meer uren uit een voetbalveld te halen. En dat is wel zo handig gezien de groei van de sport en de afname van het aantal accommodaties.

Geef een reactie