De kwaliteit van het oppervlaktewater is volgens de overheid nog altijd onder de maat. Dus kijkt deze verder dan het aanpakken van het bemesten van landbouwgronden door boeren alleen. Ook het toevoegen van stikstof aan een sportveld zou in de toekomst wel eens aan banden kunnen worden gelegd. Hoe gaan we daar mee om?
Het ruim 400 km2 areaal aan sportvelden in ons land, waarvan een groot deel met kunstgras is afgewerkt, steekt misschien schril af tegen de 34.000 km2 aan landmassa en 7500 km2 aan watermassa die samen Nederland vormen. Maar nu het volgens de bevoegde instanties nog altijd niet lukt om de kwaliteit van het oppervlaktewater omhoog te brengen én de overheid tevens op veel weerstand stuit bij de aanpak van boeren in z’n algemeen, kijken ambtenaren ook verder. Het areaal waarvoor de overheid zelf verantwoordelijk is, wordt dan opeens een stuk aantrekkelijker.
Hoeveel stikstof een sportveld precies nodig heeft, hangt af van verschillende zaken en omstandigheden. Als stelregel wordt gehanteerd dat intensief gebruikte sportvelden tussen de 120 en 180 kg stikstof per hectare per jaar behoeven terwijl voor minder intensief gebruikte sportvelden kan worden volstaan met tussen de 100 en 150 kg per hectare per jaar. Voor fairways en roughs op golfbanen zou dat volume tussen de 40 en 80 kg per hectare per jaar liggen. “Of dit volume teruggeschroefd gaat worden hangt af van de invoer van de Kaderrichtlijn water,” zegt Ben Loman van meststoffenleverancier Vitagro. De uiterste datum waarop alle Europese wateren hieraan moeten voldoen is 2027. “Maar of die datum gehaald wordt is de vraag. Ik verwacht eerder dat het de waterschappen zijn die gaan controleren.” De betrokken Nederlandse autoriteiten lijken hun eigen methodes te hebben om hieraan te voldoen (zie kader). “Ik geloof niet dat de sportvelden hard aangepakt zullen worden want die zijn al jaren met duurzaamheid bezig.” Dat zegt ook Floor Drissen van Mertens, een leverancier van middelen ter verbetering van de groene ruimte. “We werken steeds meer naar de doelstellingen van de Green Deal toe.” En ook Gerrit Klop van DCM meststoffen heeft zo z’n bedenkingen. “Gras is stikstofbehoefting omdat stikstof in de bodem belangrijk is voor het omzetten van organische stof die wordt ingebracht als voeding,” zo merkt hij op.
Gebrekkige kennis
Je kunt je afvragen in hoeverre een reductie qua meststoffen om de stikstofgift te reduceren, noodzakelijk is. In een onderzoek van de branchevereniging BSNC blijkt dat een uitspoeling van meststoffen op hybridevelden, niet werd waargenomen.
Volgens Klop heeft de markt eigenlijk nauwelijks een idee van meststoffen en hun werking. Laat staan van de eventuele gevolgen voor de bodem en de omgeving. “Vaak wordt er gestrooid terwijl dat helemaal niet nodig is. Stikstof (nitraat) zorgt voor grasgroei in de lengte terwijl je juist wilt dat de wortels aan de gang gaan.” Loman voegt toe: “Het is in Nederland niet duidelijk wat er onder organisch mineraal en 100 % organisch wordt volstaan. En waarom sta je nog uitspoelingsgevoelige nitraat toe terwijl er goede alternatieven zijn die minder kans op uitspoelen hebben?”
Drissen vult aan: “we moeten de bodem voeden in plaats van het grasplantje”. Het is een stelling die ook Bertus Meijer van de gemeente Dalfsen elders in deze editie bezigt. “Jammer genoeg blijft ook bij de meststoffen de goedkoopste prijs leidend,” zo merkt Loman op. “We zien bij aanbestedingen vaak dat prijs voor 60 % en plan van aanpak 40 % meetelt. In dat geval is prijs leidend en wegen duurzaamheid en milieu niet zwaar genoeg mee. Gevolg is dat er toch weer de goedkoopste meststof varianten ingezet worden terwijl je eigenlijk voor kwaliteit en milieu zou moeten gaan.” Het frustreert hem dan ook enorm dat men de mond vol heeft van duurzaamheid maar zodra het over geld gaat, wat anders doet. ”Dat is een gemiste kans.”
Volgens Klop is het dan ook niet verwonderlijk dat op veel plekken een combinatie van kalk met amoniumstikstof wordt gegeven. “Dat is het goedkoopte. De kalk is daarbij alleen bedoeld om de hoge zuurgraad die het gevolg is van de amoniumstikstof, te neutraliseren.” Maar ja het is niet de beste oplossing voor het milieu.
Meer verdiepen
Klop adviseert om sportvelden beter te observeren. “Bekijk de bodemmonsters en -analyses, inventariseer het aantal speeluren en stel vast hoe het grasbestand is. Op basis van die informatie kun je echt besluiten hoe je het veld moet onderhouden en wat dat vergt kan mechanische activiteiten of de inzet van middelen.” Als voorbeeld wijst hij naar de groeiende trend om in deze periode van het jaar Tetraploïd graszaad te zaaien. “Tetraploïd is een heel sterk groeiend gras maar vraagt ook meer voeding. Daarnaast is dit gras, vergeleken met Diploïd gras, schimmelgevoelig. Omdat schimmels elk jaar weer anders zijn, zul je dus steeds anders moeten acteren.” Floor Drissen denkt dat een slimmere keuze qua grassen ook kan helpen. “Ik heb hoge verwachtingen van een deel klaver dat door het grasbestand is gemengd.” Klaver haalt stikstof uit de lucht en zet het om in een voor planten opneembare vorm. Elders in deze editie van Sportvelden.Magazine leest u over het onderzoek van Maurice Evers van onderzoeksbureau Lumbricus naar koolstof- en stikstofopname door gras en de bodem. Ook hij ziet mogelijkheden dankzij een slimmere keuze voor grassen. Daarom pleit hij ervoor dat de koolstof en stikstofvastleggingskarakteristieken door de verschillende grassen, voortaan in de Grasgids worden opgenomen. “Ik zou graag zien dat de overheid duidelijke kaders schept en deze gaat handhaven,” zo merkt Ben Loman op.
Verschillende normen
Vorig jaar september werd opeens geclaimd dat minder wateren in ons land voldoen aan de doelen voor stikstof en nutriënten. Media meldde dat die doelen in slechts 30 tot 40% van de wateren worden gehaald. Anderen claimde dat die cijfers rond de 70 tot 75% liggen. Stichting Agri facts wijst erop dat dat verschil voortkomt uit de werkwijze die wordt gehanteerd. Bij landbouwbeleid wordt voor de meeste stoffen gekozen voor het strengere ‘one out, all out’ principe. Dat betekent dat als één stof boven de norm scoort, het hele water als ‘voldoet niet’ wordt beoordeeld. Voor ander waterbeleid is dat ‘one in, all in’. Dit is ook van toepassing op de wel- of niet aanwezigheid van stikstof of nutriënten. Bij deze beoordeling wordt een berekeningswijze gehanteerd waarin de best scorende nutriënt leidend is. De geïntegreerde norm kijkt naar de mogelijke schadelijk gevolgen van nutriënten. Als er weinig stikstof is, dan is veel fosfor geen probleem omdat stikstof de beperkende factor voor algengroei is. Andersom gelddt hetzelfde. De nutriëntennorm kijkt dus vooral naar het beperkende nutriënt. Wanneer het geïntegreerde oordeel over de nutriënten voldoet, dan voldoet het water.
