Het bodemleven stimuleren in een hybrideveld lijkt vloeken in de kerk. Toch zijn Bertus Meijer en Marcel Harmsen van de gemeente Dalfsen ervan overtuigd dat ze daarmee een beter veld en méér speeluren creëren. Dat doen ze door zich juist op schimmels in de bodem te concentreren.
Bij een hybrideveld zijn de waterdoorlatendheid en stabiliteit het belangrijkste uitgangsput. Bodemleven, met kans op vervetting, is volgens de bouwers daarom ongewenst. Vandaar dat de opbouw van zo’n veld sterkt leunt op die voor een vol-kunstgrasveld. Hiervoor wordt juist schraal zand gebruikt. De gemeente Dalfsen besloot voor het hybrideveld van V.V. Hoonhorst van het bestaande dogma voor hybridevelden, af te wijken. “De toplaag van het bestaande grasveld is destijds in depot gelegd waarna deze is verschraald en opnieuw is gebruikt,” zo herinnert Jan ter Steege van PLANN ingenieurs zich. Zij hadden het project geheel voorbereid en begeleid. Omdat het leemgehalte in de bodem in Hoonhorst hoger is dan wat wordt aangehouden voor een hybrideveld bij een betaald voetbalclub, was verschraling sowieso noodzakelijk. “Nadat de grond was afgegraven is er eerst schaal zand teruggebracht. Vervolgens is er zo’n 15 cm van de oude, verschraalde toplaag daar bovenop gelegd waarna de backinggebonden hybridemat is uitgerold. Deze is vervolgens ingestrooid met de grond van het oude veld die we dus verschraald hebben.” Nu, vijf jaar later, ligt er een volle grasmat die veelvuldig wordt bespeeld.
Hoge bespeelbaarheid
Volgens Marcel Harmsen van de gemeente Dalfsen wordt het veld buitengewoon veel benut. “Ik schat dat we de 800 speeluren per jaar halen. Naast de voetbalclubs V.V. Hoonhorst en V.V. Wijthmen ontvangen we af en toe ook de profs van PEC Zwolle.” De Eredivisionist uit de Overijsselse hoofdstad is beperkt in haar trainingsfaciliteiten. Pas later dit jaar hoopt het aan de slag te kunnen gaan met een eigen trainingsaccommodatie.
800 uur per jaar is een forse claim. Zeker als de collega van Harmsen, Bertus Meijer, aanstipt dat de kunstgrasvezel nauwelijks in de toplaag zichtbaar is. “Wij zien die meer als ondersteunend voor de stabiliteit van de bovenste paar centimeter van de grond dan als een toegevoegde waarde voor het spel zelf.”
“Omdat de meststoffen die we gebruiken goed verteren en omdat de grond dit ook nog eens goed faciliteert, ervaren wij nauwelijks vilt in de toplaag. Dat maakt scalperen overbodig,”
Bertus Meijer, gemeente Dalfsen
André Wolbrink van Greenfields maakt het nog complexer. “De 55mm lange vezels zijn bij de aanleg tot op 40mm ingevuld. De rest is organisch materiaal dat zich in de loop der jaren heeft verzameld.” Toch vormt dat laagje materiaal géén probleem. Het veld wordt gemaaid met een robotmaaier die is afgesteld voor een graslengte van 30mm te respecteren. De maaier scheert dus echt alleen het topje van de grasspriet. “Dat is langer dan standaard maar dat geeft ook een vollere mat. Hoewel het af en toe wordt opgemerkt, heeft er nog nooit iemand over geklaagd,” zo voegt Harmsen toe. Omdat het maaisel klein van omvang is, laat het zich beter verteren.
Goede bodem als uitgangspunt
De goede vertering is de crux. Met hun beslissing om de bestaande grond terug te brengen en bodemleven na te jagen, nam de gemeente destijds bewust een groot risico. “Maar als de grond goed is, dan gaat de rest vanzelf,” zo merkt Meijer op. Daarbij refereert hij vooral naar het bodemleven. “Wij willen het bodemleven juist stimuleren. Vandaar dat wij juist de bodem bemesten en niet de grasplant zelf.” Meijer en Harmsen zijn van mening dat een gezonde bodem uiteindelijk zichzelf reguleert waardoor de grasplant kan gedijen. Zij bereiken dat door plantaardige meststoffen toe te passen die graswortels juist stimuleren om naar voedsel te gaan zoeken in plaats van dat op te nemen wat ze, middels de gangbare mestgift, wordt aangeboden. “Het probleem bij de standaardaanpak is dat men zich laat leiden door wat men visueel ziet. Dat is het gras zelf. Maar wanneer men de verkeerde meststoffen toedient dan kan dat leiden tot groei in de (gras)lengte in plaats van de wortels,” stelt Bert Hoiting van mestadviseur Flevo Green Support. Bertus Meijer weet uit ervaring waar dat toe kan leiden. “Ons wordt geleerd om in het najaar kali te geven zodat de grasplant meer vocht heeft. Maar als je niet weet of de bodem dat eigenlijk nodig heeft, dan kan dat vele vocht je dat in de winter gaan opbreken.” Aan de meststof die ze nu benutten zijn sporenelementen en suikers toegevoegd. Die houden de schimmels in de bodem wakker en stimuleren deze. “Door de schimmels te activeren wordt de grasplant gevoed maar wordt, tegelijkertijd, ook het straatgras gedemotiveerd. Straatgras kan er namelijk niet tegen waardoor je eigenlijk de voedingsbodem hiervoor ontneemt. Op deze manier sla je twee vliegen in één klap.”
Andere onderhoudsaanpak
De consequentie van de keuze is wel dat het veld een ander onderhoud vergt. “Beluchten is voor dit veld extra belangrijk,” zo benadrukt Hoiting. “Lucht activeert de bodem om de voedingsstoffen om te zetten. Daarnaast dragen de kanalen die je prikt ook bij aan de capillaire werking om zowel hemelwater als de meststoffen naar beneden te leiden.” Het veld in Hoonhorst wordt daarom elke twee maanden belucht waarna de meststoffen worden uitgestrooid. De geprikte gaatjes dragen tegelijkertijd dus ook bij aan een goede waterafvoer. “In verband met de backing van de hybridemat doen we dat met dunne pennen,” stelt Harmsen. “Die kunnen makkelijk door de open ruimtes in de backing en trekken deze, op hun weg terug, niet omhoog.” Het veld krijgt ook vaker een kunstmatige watergift. “Door de focus op verhoogde waterdoorlatendheid moet je een hybrideveld sowieso vaker beregen om de toplaag open te houden,” meent André Wolbrink. Bertus Meijer voegt daar aan toe: “De kunstgrasvezel die er bovenuit steekt werkt ook als warmtegeleider waardoor de toplaag sneller kan uitdrogen en weer gaat zitten.” Voor de beregening wordt grondwater benut. “Die is standaard 9 graden Celsius. Door te kiezen voor grondwater in plaats van oppervlaktewater hebben we ook voorkomen dat een beregeningsverbod in een droge periode, invloed zou hebben op het onderhoud van dit hybrideveld,” aldus Harmsen.
Harmsen en Meijer claimen dat deze aanpak de toplaag nauwelijks vervetting kent. “De kunst is om de humuslaag op maximaal 10% te houden zodat het bodemleven de rest kan doen,” zo stelt Hoiting. Dat betekent ook dat het veld regelmatig met de kriebeleg wordt bewerkt.
Kies juiste machines
Volgens Meijer is een bijkomend voordeel dat, dankzij deze aanpak, de toplaag minder vaak gescalpeerd hoeft te worden. “Dat scheelt in de kosten en voorkomt ook onnodige slijtage van het kunstgrascomponent.” Voor hybridevelden in de breedtesport is het advies om dat, afhankelijk van de veldkwaliteit, om de drie tot vijf jaar te doen. Het veld in Hoonhorst is in 2020 geopend. De gemeente Dalfsen overschrijdt dus al deze periode. “Omdat de meststoffen die we gebruiken goed verteren en omdat de grond dit ook nog eens goed faciliteert, ervaren wij nauwelijks vilt in de toplaag. Dat maakt scalperen overbodig.”
André Wolbrink stipt aan dat een hybrideveld ook specifieke onderhoudsmachines vergt. “Met een gewone kriebeleg haal je de harde laag die er zit, doorgaans niet los. Ook met de Fieldtopmaker lukt je dat niet geheel. Vandaar dat wij adviseren om daarnaast ook een dynamische verticuteermachine te gebruiken, eentje waarbij de pennen in dat proces, zigzaggend op-en-neer bewegen.”
Goed monitoren
De aanpak in Hoonhorst benadrukt ook het belang van goed monitoren. “We steken jaarlijks een bodemmonster om ons bemestingsbeleid daarop te sturen,” zegt Harmsen. “Door die gegevens voor meerdere jaren naast elkaar te leggen, zien we ook wat er in de bodem gebeurt,” zo vult Hoiting aan. “Het is goed mogelijk dat je na een paar jaar moet besluiten om je bemesting aan te passen omdat de bodem voor bepaalde stoffen verzadigd is waardoor de meststof niet goed functioneert.” Daarmee geeft hij nog maar eens aan hoe gras en bodem voortdurend in ontwikkeling zijn. “Maar als je dat blijft overwegen en op basis daarvan het onderhoud stuurt, dan kun je een hogere bespelingsgraad bereiken,” zo concluderen Meijer en Harmsen. Schrik om ook bodemleven onder een hybridemat te stimuleren, is volgens hen daarbij overbodig.
