Evaluatie van hitte- en droogtebestendige sportgrassoorten
Middelenbeheer bij het onderhoud van sportvelden
De gevolgen van klimaatveranderingen, zoals stijgende temperaturen, langere droge periodes en toenemende waterschaarste, vormen grote uitdagingen voor het onderhoud en de irrigatie van sportvelden in Duitsland. Het doel van deze studie was om verschillende sportgrasmengsels te vergelijken op basis van hun veerkracht.
Door: Jonathan Boetzel
Voor deze studie werden vier varianten met verschillende grassoorten – waaronder Lolium perenne (diploïde en tetraploïde), Festuca arundinacea, Poa pratensis en Cynodon dactylon –op de campus van de Duitse voetbalbond, DFB, in Frankfurt am Main ingezaaid. De grassen werden gedurende meerdere maanden gemonitord. Uit de resultaten bleek dat mengsels, met name die met Festuca arundinacea en tetraploïde Lolium perenne-variëteiten, beschikken over een hoge vitaliteit.
De klimaatverandering leidt tot aanzienlijke veranderingen in de klimatologische omstandigheden in Duitsland. Sinds het begin van de weermetingen in 1881 is de jaarlijkse gemiddelde temperatuur met ongeveer 1,6 °C gestegen. De zomermaanden worden steeds vaker gekenmerkt door hittegolven en langere droge periodes (KASPAR u. MÄCHEL, 2023). Tegelijkertijd nemen regionale neerslagtekorten en extreme weersomstandigheden toe (FRIEDRICH, 2023). Deze ontwikkeling heeft aanzienlijke gevolgen voor de exploitatie en het onderhoud van sportfaciliteiten. Duitsland heeft ongeveer 45.000 gras sportvelden (DFB, 2024) waarvan de irrigatie in de zomermaanden een aanzienlijk deel van het gemeentelijke waterverbruik vraagt. Een gemiddeld voetbalveld met een oppervlakte van ongeveer 7.500 m² verbruikt ongeveer 1.000 m³ water bij tien irrigatiecycli per jaar (NONN, 2024). Waterschaarste is de komende decennia (WEF, 2019) wereldwijd een van de grootste uitdagingen. Duitsland had tussen 2018 en 2020 daar al mee te maken.
Het doel van modern grasonderzoek is daarom de ontwikkeling van gras sportvelden die minder water nodig hebben zonder aan veerkracht, regeneratievermogen of visuele kwaliteit in te boeten. Naast aanpassingen in het onderhoudsbeheer, zoals geoptimaliseerde bemesting en bodembeluchting, staat de selectie van geschikte grassoorten en -variëteiten centraal. Droogtebestendige soorten zoals Festuca arundinacea of Cynodon dactylon, evenals nieuw gekweekte tetraploïde Lolium perenne-variëteiten, worden als potentieel veelbelovend beschouwd (NONN, 2020; FLL, 2023; MÜLLER-BECK, 2023). In dit onderzoek wordt nagegaan in hoeverre deze droogtebestendige grassen geschikt zijn voor gebruik op voetbalvelden in Duitsland.
Materiaal en methoden
In 2024 werd op het terrein van de DFB Campus in Frankfurt am Main een testlocatie opgestart. De locatie wordt gekenmerkt door een warm klimaat met weinig neerslag. De gemiddelde jaartemperatuur ligt tussen 10,6 °C en 12,1 °C en de gemiddelde jaarlijkse neerslag bedraagt 600 mm. Zomertemperaturen boven 30 °C komen vaak voor en de zon schijnt tot 2000 uur per jaar (WIKIPEDIA, 2024). De testfaciliteit bevond zich op een bestaand trainingsveld. Het gebied was vrij van schaduweffecten, beschikte over een irrigatiesysteem en werd regelmatig onderhouden door greenkeepers.
“Een gemiddeld voetbalveld met een oppervlakte van ongeveer 7.500 m² verbruikt ongeveer 1.000 m³ water bij tien irrigatiecycli per jaar,”
Harald Nonn, grasexpert DFB
Testlocatie en opstelling
Na het verwijderen van de oude graszoden in april 2024 werd de locatie met behulp van een graszaaimachine ingezaaid. Het testveld bestond uit twaalf percelen, verdeeld over vier varianten met elk drie herhalingen. De percelen werden tijdens de aanlegfase regelmatig gemaaid, bemest en gelijkmatig geïrrigeerd ten behoeve van vergelijkbare startomstandigheden. Nadat de vestigingsfase was voltooid, startte in augustus 2024 de stresssimulatie. Hiervoor werd elk perceel regelmatig met een spijkerwals belast om de typische slijtage door bewegingen van spelers na te bootsen.
Grasmengsels
De volgende vier varianten werden getest:
RSM 3.1 (Lolium perenne diploïde)
- Lolium perenne ‘Europitch’ 30 %
- Lolium perenne ‘Eurobeat’ 20 %
- Poa pratensis ‘Limousine’ 25 %
- Poa pratensis ‘Dauntless’ 25 %
RSM 3.1 (Lolium perenne tetraploïd)
- Lolium perenne ‘Double’ 30 %
- Lolium perenne ‘Fabian’ 20 %
- Poa pratensis ‘Limousine’ 25 %
- Poa pratensis ‘Dauntless’ 25 %
Festuca/ Poa-mengsel
- Festuca arundinacea ‘Melyane’ 40 %
- Festuca arundinacea ‘Regenerate’ 40 %
- Poa pratensis ‘Miracle’ 20 %
Cynodon dactylon – ‘Monza’ 100 %
De zaaihoeveelheden waren 25 g/m² voor de RSM-mengsels, 35 g/m² voor de Festuca/Poa-variant en 12 g/m² voor Cynodon dactylon.
Dataverzameling
Voor een objectieve beoordeling van de mengsels zijn de volgende parameters onderzocht:
- Projectieve bodembedekking (digitaal)
- Bedekking van de gewenste soorten (visuele beoordeling)
- Vitaliteit (NDVI)
- Kleur van de graszoden (visuele beoordeling)
- Uiterlijk (visuele beoordeling)
- Torsieweerstand (torsieweerstandsapparaat)
- Oppervlaktehardheid (Clegg-Hammer)
- Dikte van de viltlaag (mm)
- Ziektebesmetting (visueel)
De gegevens werden tussen 4 en 29 september 2024 verzameld. De statistische analyse was gebaseerd op variantieanalyse en Tukey-tests.
“Uit de resultaten bleek dat mengsels, met name die met Festuca arundinacea en tetraploïde Lolium perenne-variëteiten, beschikken over een hoge vitaliteit,”
Jonathan Boetzel.
Resultaten: Vestiging en eerste ontwikkeling
Alle varianten zijn succesvol ontkiemd. Diploïde Lolium perenne vertoonde de snelste ontkieming en bodembedekking, gevolgd door de tetraploïde variant. Het mengsel van Festuca arundinacea / Poa pratensis vestigde zich iets langzamer, maar vormde al vroeg sterke scheuten. Cynodon dactylon vertoonde een vertraagde vestiging als gevolg van late zaaiing en hoge eisen aan de ontkiemingstemperatuur; de grasmat was pas halverwege de zomer volledig gesloten.
Projectieve bodembedekking
Aan het einde van de testfase vertoonde Festuca arundinacea de hoogste projectieve bodembedekking met > 90 %. De diploïde Lolium perenne-variant lag iets onder dit percentage, terwijl Cynodon dactylon aanzienlijk daalde als gevolg van herfstverkleuring en groeistilstand. Door het toenemende aandeel ongewenste groei (met name Agrostis stolonifera) nam de projectieve bodembedekking van variant 4 tegen het einde van de observatieperiode weer toe en was deze aan het einde van het experiment vergelijkbaar met de bodembedekking van de tetraploïde Lolium perenne-variant.
Bedekking van gewenste soorten
Terwijl mengsels 1 tot 3 tijdens de testperiode een verwaarloosbaar aandeel vreemde soorten hadden en voor bijna 100% uit de gewenste grassoorten bestonden, daalde het aandeel Cynodon dactylon in variant 4 tussen termijn 1 en 3 met ongeveer 60%. Aan het einde van het experiment bedroeg het nog steeds ongeveer 15%. De ontstane open ruimte werd voornamelijk gekoloniseerd door Agrostis stolonifera, zodat de projectieve bodembedekking tegen het einde van het experiment weer toenam.
Over de auteur
Jonathan Boetzel is een Duitse groenverzorger die momenteel studeert voor een Bachelor en Master in Landschapsbouwkunde aan de Hogeschool Osnabrück. Daarnaast doceert hij Landschapsarchitectuur en tuinbouw aan de BBS-Haste in Osnabrück.

















